Categorie: Poëzie en Proza

De tijd is nu

Struikelend over het donker in de gang, de afgetrapte schoenen, de slenterende trap naar boven, de haast om daar te komen. Nu luisteren nog vol vragen zit en blozende verhalen op het randje van een bed.

De stilte van de avond die pretendeert de nacht te zijn, de tijd tussen twee werelden die altijd even hapert. Het openen van de deuren die ons koesteren vanuit een ander perspectief. Nu liefde nog twee armen is en samen aan een tafel.

Nu de dagen ons nog dragen, niet vervelen. Rituelen eigenhandig breken als we de noodzaak laten gaan. Aandacht zich verdeelt in mate van verlangen, niet in het eindeloos verstrijken van de tijd

Nu toekomst en verleden nog vechten om het langste eind.

Verlangen

Er hangt een stilte in de kamer die maar niet wil wijken. Je lichaam ademt zacht tegen de spijlen van het bed. Het gebroken wit van de gordijnen vouwt zich om de plooien van de wind waarmee je plotseling vertrekt.

Radeloosheid slaat de ramen dicht. Roerloos rust mijn blik tegen het schemerdonker glas.
Een uitzicht dat vergeet te reiken. De wereld steeds kleiner. Geborgen als je was.

Het is daar dat ik één word met mijn schaduw en slechts de echo van mijn stappen verraadt dat ik meer ben.

De contouren vervagen

Het is daar waar zicht me laat dwalen en tast me weer vindt, in een eindelijk of eindeloos alleen.

Het duurt uren voor ik je gezicht herken. Ik lees de woorden van je lippen met de zachtste toppen van mijn hand. Op het ritme van je hart herhaal ik de verhalen. Over wat we samen waren. Het rijgen van de dagen.

Je vraagt me of het liefde was.

Ik adem woorden die zich hechten aan het glas. Een antwoord dat maar niet wil wijken.

Het is daar waar klanken zinnen worden, waar het diepst van mijn gedachten de stilte oplost tot een geborgen gefluister.

Het is daar dat daglicht me redt, maar veel te vroeg nog laat ontwaken.

De tijd tikt langzame seconden naar een verlossend schemerdonker. Je lichaam ademt zacht tegen de spijlen van het bed.

Vrienden

Soms vraag ik me ineens af hoe het met je is.
Of je gelukkig bent. Of je veranderd bent.
Of het wordt zoals het vroeger was.
Of ik dat zou willen. Soms vraag ik liever niets.

Ik dacht dat vrienden eeuwig waren,
of minimaal een leven lang. Nu bouw ik
muren om te slechten met wachters bij
de poort.

We bouwden levens, zij aan zij, verloren
idealen, delen van het leven die niet
maakbaar waren. Leven bracht
ons samen, de waarheid brak ons op. En later..

Mijn vingers die vol ongeloof de letters
van de namen lazen. De randen van het
onbewerkt karton die me raakten tot ver
onder mijn huid. De zachtroze geur
van eindeloos vervuld verlangen.
Het ‘toen was het voorgoed voorbij’.

Soms schuil ik in de ruiten van de stad, zoekend naar jouw silhouet. Om te zien wie je bent zo zonder mij. Om je blik te ontwijken. Omdat het nooit meer wordt zoals het vroeger was. Zelfs niet als ik dat zou willen.

Vanaf hier

Zacht trekt de wind over de wervels
van mijn licht gebogen huid, ademt
dwars door de onbesproken stilte, landt
ergens tussen denken en verlangen naar,
de hand in mijn rug, alles wat ik dacht te weten,
de dagen dat het er iets toe deed.

De warmte vouwt zich troostend om de vragen
die er altijd waren, het antwoord in gebaren die
ik niet verstond. Een allesomvattend dichtbij.

Besef spoelt af en aan zonder me te raken, toch
houd ik steeds mijn adem in. Dan laat ik mijn
gedachten los net voordat ze vallen.

Vanaf hier ben ik niet wat ik verloor.

Touwtje

Met het glas tegen de deur luister ik naar de geluiden uit mijn jeugd die ik kwijt dacht te zijn. Ik strijk over het zonlicht dat zacht met de muren speelt. Het is de warmte die me boeit, de schaduw van de laatste jaren raakt me niet. Ik hecht niet aan huizen, maar het vermoeden dat de herinnering vervaagt zodra mijn hand het verpulverde behang laat gaat maakt het zwaarder dan ik dacht. Toch trek ik één voor één alle deuren dicht die nooit meer helemaal zullen sluiten. Het touwtje uit de brievenbus verstop ik in mijn diepste zak.

Gebrandmerkt

Ik zag de stilte die je hoorde, het gebrek
aan woorden dat de verte in je blik verlengde
tot ver achter mijn horizon, alsof ik
onzichtbaar was. Ik zag de randen
van je zijn vervagen, de terugslag
op mijn vragen gebrandmerkt in je huid.
De ruimte die je nam.

Rafelranden

Wie vertelt me over gister als
Ik gister ben vergeten, als
alleen vandaag maakt wie ik ben.

Als morgen het verleden is
waarin we samen leefden
met een heden zonder plek

Wie vertelt me over morgen als
Ik morgen ben vergeten en de
rafelranden van mijn weten
onthullen wie ik werkelijk ben

Het achterland voorbij

Het water stroomt, bijna achteloos, over de rimpels van mijn ruwe huid. Als een rivier door het achterland, waar jij, eindeloos zwervend, op me wacht. Waar we samen, jij de handen stevig in de zakken, slenterend het zandpad over gaan.

Waar de keuken warmte ademt, een welkom. Waar de delfts blauwe kopjes, in al hun vergane glorie, staan te wachten op de koffie van half acht. Waar jij je grijze hoofd, tevreden buigt, over de grootste koppen van de krant.

Maar als jouw beeld verdwijnt, hult de keuken zich in schemerdonker. Terwijl ik mijn kopje was, staat het jouwe onaangeroerd in de kast. Waar het delfts blauw langzaam vergaat. En even aarzel ik bij de ongelezen krant. Misschien morgen, denk ik, als ik met alle liefde die in me is de restanten van jouw tuin, bijna achteloos, voorzie van water.

En terwijl het water door de barsten van de droge aarde stroomt, dringt jouw glimlach zich op aan mijn gedachten. Ik leun nog even in je warmte, voordat ik je zacht vertel dat het tijd is om voorgoed te gaan. Wetend dat ik zonder jou maar voor de helft besta. En dat de beste helft met jou vertrekt. Mijn licht, daar waar ik donker ben.

De zon breekt kwetsbaar door de wolken. En heel even waait de wind, als in een bijna achteloos gebaar, je hand weer door m’n haar. Een belofte als een zachte bries droogt het water in de rimpels van mijn ruwe huid. Het zandpad stuift, onder jouw slenterend vertrek. De handen stevig in de zakken. Eindeloos zwervend. Het achterland voorbij.

Strandjutter

Ik jut strand. Korrel voor korrel,
tot de bodem is bereikt.
Langzaam stijgt het water.

Wordt zee weer vaste land.
En vaste land weer zee.
Waar ik onverschrokken stond
raak ik onder water.

Ik jut strand. Waterzakken vol.
De zee weer op zijn plek.
Ik wring het zout mijn ogen uit
en voel de grond verstijven.

Ik jut strand. Waar ik zee vind
zwem ik water. Waar ik strand vind
rust ik zand.
Ik jut strand. Het tij wist mijn sporen.
Water. Het strand verlaten.
Alsof er nooit een jutter was.